Gelet op de financiële toestand van het Lokaal Bestuur Geraardsbergen en de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht te handhaven;
Overwegende dat het Lokaal Bestuur Geraardsbergen over de nodige financiële middelen dient te beschikken om de haar opgelegde taken, vastgesteld in het meerjarenplan 2026-2031, naar behoren te kunnen vervullen;
Overwegende dat de aanwezigheid van masten en pylonen op het grondgebied van het Lokaal Bestuur Geraardsbergen een ernstige vorm van landschapsvervuiling en visuele pollutie veroorzaakt binnen de open ruimtegebieden in de gemeente en hierdoor de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden sterk aantast;
Overwegende dat masten en pylonen hinder meebrengen voor de plaatselijke gemeenschap; dat het derhalve rechtmatig is om een compensatie te voorzien voor de plaatselijke gemeenschap;
Overwegende dat de aanwezigheid van masten en pylonen op het grondgebied van het Lokaal Bestuur Geraardsbergen een substantiële invloed heeft op de aantrekkingskracht van de gemeente Geraardsbergen als woonomgeving, recreatieve en toeristische bestemming;
Overwegende dat een belasting op masten en pylonen een stimulans kan zijn om deze te beperken, wat noodzakelijk is voor de vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening en de landschappelijke kwaliteit van de gemeente Geraardsbergen;
Overwegende dat het reglement moet aangeven vanaf welke hoogte masten en pylonen belast worden; dat de aanduiding van de hoogte geldt als een objectieve maatstaf op basis waarvan eigenaars van dergelijke structuren kunnen voorzien of zij zullen belast worden of niet;
Overwegende dat de gemeente autonoom invult waar voor haar de grens van de aanvaardbare hinder ligt;
Overwegende dat de gemeente zich engageert in het kader van klimaat en milieu en de gemeente dus een bijdrage wenst te leveren aan het stimuleren van de productie van groene stroom;
Overwegende dat, in overeenstemming met de omzendbrief van 15 februari 2019 houdende de onderrichtingen over de gemeentefiscaliteit, het heffen van een belasting op constructies voor de productie van windenergie of andere vormen van groene stroom in strijd is met het Vlaamse elektriciteitsdecreet en diverse Europese richtlijnen, die bepalen dat het gebruik van hernieuwbare energiebronnen moet bevorderd worden;
Overwegende dat een vrijstelling van de belasting voor constructies voor de productie van windenergie of andere vormen van groene stroom kadert in de zogenaamde “groene fiscaliteit”;
Overwegende dat het wenselijk is de constructies geplaatst door openbare hulpverleningsdiensten en veiligheidsdiensten, openbare besturen en andere openbare inrichtingen en instellingen vrij te stellen omdat deze constructies worden opgericht om de dienstverlening ten gunste van de bevolking zo optimaal mogelijk te kunnen uitvoeren; dat deze worden opgericht om ten dienste te staan van het openbaar nut, o.a. in het kader van hulpverlening en veiligheid, wat één van de primaire overheidstaken is;
Overwegende dat het landschapsverstorend karakter van masten en pylonen geplaatst door openbare hulpverleningsdiensten en veiligheidsdiensten die primaire overheidstaken uitoefenen, voldoende wordt gecompenseerd door het maatschappelijk belang, zodat hiervoor vrijstelling kan worden verleend;
Overwegende dat het landschapsverstorend karakter van masten en pylonen geplaatst door openbare besturen en andere openbare inrichtingen en instellingen die dienstig zijn voor de algemene dienstverlening, zoals het verlichten van terreinen en open ruimtes in het kader van veiligheid en bewaking, voldoende wordt gecompenseerd ten behoeve van het algemeen belang, zodat hiervoor vrijstelling kan worden verleend;
Overwegende dat sport-, recreatievoorzieningen, lokale radio’s en radiozendamateurs een belangrijke sociale en educatieve gemeenschapsfunctie hebben ten dienste van de bevolking van de gemeente;
Gelet op het draagvlak dat zij binnen de gemeente hebben, is het gepast om hiervoor een vrijstelling te voorzien;
Overwegende dat het verantwoord is om vrijstelling te voorzien voor constructies die louter voor recreatieve of niet-commerciële doeleinden worden gebruikt, gezien het niet-bedrijfsmatig oogmerk en karakter van de constructie, waarbij hobby en amateur met betrekking tot het gebruik van de mast of pyloon centraal staan, en de constructie niet voor lucratieve doeleinden is bestemd;
Overwegende dat deze constructies voor recreatief gebruik duidelijk te onderscheiden zijn van de constructies van andere commerciële ondernemingen, gezien de afwezigheid van een bedrijfsmatig aspect, waardoor de bijdragecapaciteit voor eigenaren van constructies bestemd voor hobby en amateur niet vergelijkbaar is met de andere commerciële ondernemingen die wel onder het toepassingsgebied van het belastingreglement vallen;
Overwegende dat eigenaren van constructies bestemd voor recreatieve of niet-commerciële doeleinden (zoals radioapparatuur) de belasting enerzijds niet kunnen inbrengen als beroepskosten en anderzijds hun apparatuur steeds een (bijkomende) functie heeft in het kader van noodcommunicatie;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen; en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 40 § 3, houdende vaststelling van de gemeentelijke reglementen;
Gelet op de omzendbrief KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit van 15 februari 2019;
Gelet op het budget opgenomen in het meerjarenplan 2026-2031 AR: 73609000-belasting op pylonen en masten – BI: 002000-Fiscale aangelegenheden;
Enig artikel:
Met ingang van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031 wordt een jaarlijkse gemeentebelasting gevestigd op masten en pylonen geplaatst in open lucht en zichtbaar vanaf de openbare weg.
Artikel 1:
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
Mast: vaststaande, verticale constructie die geplaatst wordt op een dak of een andere bestaande constructie met een minimale hoogte van minstens 15 meter.
Pyloon: individuele verticale constructie die opgericht is op het niveau van het maaiveld en die een minimale hoogte heeft van minstens 15 meter.
Artikel 2:
De belasting is ondeelbaar en verschuldigd door de eigenaar van de mast of pyloon op 1 januari van het aanslagjaar en wordt vastgesteld op 2.500 euro per mast of pyloon.
Er wordt geen vermindering of terugbetaling van de belasting toegestaan wanneer de mast of pyloon in de loop van het jaar wordt weggenomen.
Artikel 3:
Zijn vrijgesteld van deze belasting:
Artikel 4:
Aan de belastingplichtige wordt jaarlijks een voorstel van aangifte toegestuurd. De belastingplichtigen zijn ertoe gehouden jaarlijks het voorstel van aangifte in te vullen, te ondertekenen en in te dienen bij het Lokaal Bestuur Geraardsbergen uiterlijk op 31 december van het aanslagjaar.
De belastingplichtige die geen aangifteformulier heeft ontvangen, is gehouden, uiterlijk op 31 december van het aanslagjaar , de voor de aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen aan de gemeente. De belastingplichtige die geen aangifteformulier heeft ontvangen is niet ontheven van de verplichting om spontaan aangifte te doen uiterlijk op 31 december van het aanslagjaar.
Artikel 5:
Bij gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn in dit reglement, of ingeval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte zal de belasting van ambtswege ingekohierd worden mits inachtneming van de in artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen voorziene bepalingen.
De ambtshalve in te kohieren belasting wordt geheven op basis van de elementen waarover het Lokaal Bestuur beschikt.
Artikel 6:
De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het College van Burgemeester en Schepenen.
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 7:
De belastingschuldige kan bezwaar indienen bij het College van Burgemeester en Schepenen, Weverijstraat 20, 9500 Geraardsbergen of via email naar belastingen@geraardsbergen.be . Het bezwaarschrift moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van de verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag.
Als het aanslagbiljet verzonden werd via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van zijn verzending. Als het bestuur en de belastingschuldige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om berichten elektronisch uit te wisselen, wordt het aanslagbiljet geacht ontvangen te zijn op het tijdstip waarop het aanslagbiljet toegankelijk wordt voor de belastingschuldige.
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger die gehoord wil worden, moet dit uitdrukkelijk vermelden in het bezwaarschrift.
Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstmelding afgegeven, binnen de vijftien kalenderdagen na de indiening ervan.
Artikel 8:
Het College van Burgemeester en Schepenen doet binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, uitspraak op basis van een met redenen omklede beslissing. Die termijn van zes maanden wordt met drie maanden verlengd als de betwiste aanslag ambtshalve werd gevestigd.
Het College van Burgemeester en Schepenen kan bij zijn beslissing de betwiste belasting, belastingverhoging of administratieve geldboete niet vermeerderen. De beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen wordt met een aangetekende brief betekend aan de belastingschuldige en, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger en wordt tevens ter kennis gebracht van de financieel directeur. Deze aangetekende brief vermeldt de instantie waarbij een beroep kan worden ingesteld, evenals de ter zake geldende termijn en vormen.
De beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen is onherroepelijk wanneer het beroep niet tijdig bij de bevoegde instantie is ingesteld.
Artikel 9:
Bij gebrek aan een minnelijke betaling binnen de uiterste datum van betaling wordt tot gedwongen invordering van de belasting overgegaan bij middel van een dwangschrift uitgevaardigd door de financieel directeur die belast is met de inning van de schuldvordering.
Bij betwisting kan de schuldvordering ook burgerrechtelijk worden ingevorderd. Bij deze geschillen of betwisting zijn enkel het Vredegerecht Geraardsbergen/Brakel en/of de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent bevoegd.