Gelet op de financiële toestand van het Lokaal Bestuur Geraardsbergen en de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht te handhaven;
Overwegende dat het Lokaal Bestuur Geraardsbergen over de nodige financiële middelen dient te beschikken om de haar opgelegde taken, vastgesteld in het meerjarenplan 2026-2031, naar behoren te kunnen vervullen;
Overwegende dat het Lokaal Bestuur Geraardsbergen grote inspanningen levert voor veiligheid, infrastructuur, verfraaiing, afvalbeheersing en een degelijke aanleg, beheer en onderhoud van haar openbaar domein; dat alle inwoners van de gemeente voordeel halen uit deze inspanningen;
Overwegende dat het bijgevolg gerechtvaardigd is om een financiële bijdrage te vragen van de inwoners van de gemeente voor de algemene financiering van de kosten;
Gelet op de artikelen 464 tot en met 470/2 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;
Gelet op artikel 40 § 3 eerste lid en artikel 369 van het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017;
Gelet op het budget opgenomen in het meerjarenplan 2026-2031 AR: 73010000-Aanvullende belasting op de personenbelasting – BI: 002000-Fiscale aangelegenheden;
Artikel 1: Belastbare grondslag en belastbare periode
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een aanvullende belasting gevestigd ten laste van de rijksinwoners die belastbaar zijn in de gemeente op 1 januari van het aanslagjaar.
Artikel 2: Berekeningsgrondslag en tarief of aanslagvoet
De belasting wordt vastgesteld op 7,8 % van de overeenkomstig artikel 466 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 berekende grondslag voor hetzelfde aanslagjaar. Deze belasting wordt gevestigd op basis van het inkomen dat de belastingplichtige heeft verworven in het aan het aanslagjaar voorafgaande jaar.
Artikel 3: Wijze van inning
De vestiging en de inning van de gemeentelijke belasting gebeuren door het bestuur der directe belastingen, zoals bepaald in artikel 469 van het wetboek van de Inkomstenbelastingen.